Catégories
Néerlandais

Liste de verbes néerlandais de base : action et mouvements

Liste de verbes néerlandais de base : action et mouvements

🇳🇱 Les mots essentiels à connaître 🇳🇱

_

Apprenez l’essentiel du néerlandais facilement avec cette liste de vocabulaire néerlandais qui contient tous les verbes indispensables sur le thème de l’action et du mouvement, avec leurs traductions en français. Pratique pour réviser pour le Bac, ou si vous souhaitez enrichir et améliorer votre vocabulaire en néerlandais pour mieux vous exprimer à l’écrit comme à l’oral !

Vous repérez des erreurs ou souhaitez ajouter un mot de vocabulaire à la liste ? N’hésitez pas à laisser un commentaire pour améliorer le site !

Gagnez du temps ! Téléchargez toutes les fiches en un clic au format PDF, Word et Epub

 

🇫🇷 Français 🇳🇱 Néerlandais
🚶 Mouvement & déplacement  
accompagner begeleiden / vergezellen
accélérer versnellen
aller gaan
amener (quelqu’un) iemand meebrengen
arriver aankomen
atteindre / rejoindre bereiken / inhalen
avancer vooruitgaan
bondir / sauter springen
bouger / se déplacer bewegen / zich verplaatsen
conduire rijden / besturen
courir rennen / lopen
descendre neergaan / dalen
emmener / prendre / emporter meenemen
entrer binnengaan / binnenkomen
escalader / grimper klimmen
flotter drijven
franchir (quelque chose) oversteken / passeren
glisser glijden
grimper klimmen / omhoog klauteren
nager zwemmen
partir vertrekken
passer passeren / doorgaan
plonger duiken
quitter verlaten / weggaan
ramper kruipen
reculer achteruitgaan
rouler rijden / rollen
s’approcher naderen / dichterbij komen
s’éloigner zich verwijderen / weggaan
s’évader ontsnappen
sauter springen
sortir buitengaan / uitgaan
suivre (quelqu’un) iemand volgen
tomber vallen
tourner draaien / afslaan
traîner slepen / rondhangen
venir komen
voler (dans le ciel) vliegen
🧍 Positions & postures du corps  
grandir groeien / groot worden
grossir dikker worden / toenemen
perdre du poids afvallen / gewicht verliezen
plier plooien / buigen
porter dragen / vervoeren
s’accroupir hurken / neerzitten
s’allonger gaan liggen / uitstrekken
s’asseoir gaan zitten
s’étendre / s’étaler uitstrekken / uitspreiden
se coucher gaan slapen / neerleggen
se garer parkeren
se lever opstaan
se mettre à genoux / s’agenouiller knielen
se retourner zich omdraaien
secouer schudden
soulever optillen / heffen
🤲 Actions des mains & du corps  
applaudir applaudisseren / klappen
attraper grijpen / vangen
casser / briser breken / kapotmaken
cligner des yeux knipperen / met de ogen knipperen
construire bouwen / maken
déplacer (quelque chose) iets verplaatsen / verhuizen
donner geven
donner un coup de pied schoppen / trappen
écarter uiteen doen / wegschuiven
embrasser kussen
embrasser / faire un câlin / prendre dans ses bras omhelzen / knuffelen
esquiver ontwijken / ontduiken
faire un clin d’œil knipogen
fermer sluiten / dichtdoen
frapper slaan / kloppen
jeter gooien / gooien
lancer gooien / werpen
ouvrir openen / opendoen
pousser duwen / zettten
prendre nemen / pakken
ramasser oprapen / bijeenrapen
ramener / rapporter terugbrengen / meebrengen
réparer repareren / herstellen
tirer trekken
toucher aanraken
verser (de l’eau) gieten / inschenken
voler (quelque chose) stelen
👁️ Perception & sens  
écouter luisteren
regarder kijken
renifler snuiven / snuffelen
sentir ruiken / voelen
voir zien
🗣️ Communication & expression  
chanter zingen
chercher / rechercher zoeken
choisir kiezen
chuchoter fluisteren
crier schreeuwen / roepen
enseigner onderwijzen / lesgeven
écrire schrijven
lire lezen
parler praten / spreken
penser denken
répéter herhalen
siffler fluiten
🍽️ Actions quotidiennes  
arrêter stoppen / ophouden
augmenter stijgen / verhogen
avaler slikken
bailler gapen
boire drinken
compter tellen / rekenen
cuisiner koken
danser dansen
dormir slapen
échapper ontsnappen
lécher likken
mâcher kauwen
manger eten
marcher lopen / wandelen
mordre bijten
pleurer huilen
poursuivre achtervolgen / vervolgen
rêver dromen
respirer ademen
rire lachen
se doucher / prendre une douche douchen
souffler blazen / ademen
suer / transpirer zweten
travailler werken

➡️ Fiche suivante : 100 adjectifs utiles (A à M)

⬅️ Fiche précédente : 100 adverbes utiles

 

 

©Fichesvocabulaire.com – Ne pas recopier sur d’autres sites

2 réponses sur « Liste de verbes néerlandais de base : action et mouvements »

Vanraes Karindit :

voler qqchose n’est pas vliegen mais stelen

Laisser un commentaire

Votre adresse e-mail ne sera pas publiée. Les champs obligatoires sont indiqués avec *