Catégories
Néerlandais

Fiche de vocabulaire néerlandais : Les verbes de la cuisine

Vocabulaire néerlandais par thème : Les verbes de la cuisine

🇳🇱 Les mots essentiels à connaître 🇳🇱

_

Apprenez l’essentiel du néerlandais facilement avec cette liste de vocabulaire néerlandais qui contient tous les verbes indispensables sur le thème de la cuisine, avec leurs traductions en français. Pratique pour apprendre le néerlandais seul à la maison, ou si vous souhaitez enrichir et améliorer votre vocabulaire en néerlandais pour mieux vous exprimer à l’écrit comme à l’oral !

Vous repérez des erreurs ou souhaitez ajouter un mot de vocabulaire à la liste ? N’hésitez pas à laisser un commentaire pour améliorer le site !

Gagnez du temps ! Téléchargez toutes les fiches en un clic au format PDF, Word et Epub

 

🇫🇷 Français 🇳🇱 Néerlandais
🔪 Découper & préparer  
ciseler fijnhakken / snipperen
concasser grof hakken
couper snijden / hakken
couper en brunoise in brunoise snijden (kleine blokjes)
couper en dés in blokjes snijden
couper en julienne in julienne snijden (reepjes)
couper en rondelles in plakjes snijden
découper verdelen / versnijden
désosser ontbenen / ontgraten
détailler in stukken snijden
émincer fijn snijden / in reepjes snijden
éplucher / peler schillen / pellen
équeuter steeltje verwijderen
évider uithollen
fileter fileren
hacher hakken
parer bijsnijden / opmaak geven
râper raspen
trancher in plakken snijden
zester de schil raspen / zesten
🫙 Mélanger, incorporer & amalgamer  
amalgamer samenvoegen / mengen
battre kloppen / mixen
battre en neige stijf kloppen (eiwit)
combiner combineren
délayer aanlengen / oplossen
fouetter kloppen / opkloppen
incorporer inwerken / mengen
lier binden
malaxer kneden / bewerken
mélanger mengen / roeren
monter (une sauce, une crème) opkloppen / binden
pétrir kneden
remuer roeren
tamiser zeven
tourner roeren / omdraaien
travailler (une pâte) bewerken / kneden
🧂 Assaisonner & aromatiser  
aromatiser aromatiseren / op smaak brengen
assaisonner kruiden / op smaak brengen
corriger (l’assaisonnement) het smaak bijstellen
déglacer blussen / deglaceren
épicer pikant kruiden / specerijen toevoegen
farcir vullen / opvullen
flamber flamberen
huiler insmeren met olie / beoliën
imbiber inweken / doordrenken
larder spekken
macérer marineren / weken
mariner marineren
parsemer bestrooien
poivrer peperen
rectifier bijstellen / corrigeren
réduire (une sauce) inkoken / reduceren
saler zouten
saupoudrer bestrooien
sucrer zoeten / suiker toevoegen
vinaigretter aanmaken met vinaigrette
🔥 Cuire & chauffer  
blanchir blancheren
braiser smoren
caraméliser karameliseren
chauffer verwarmen / opwarmen
confire inmaken / konfijten
cuire koken / garen
cuire à blanc blind bakken
cuire à la vapeur stomen
cuire au bain-marie au bain-marie koken
cuire au four in de oven bakken
dorer laten bruinen / kleuren
faire revenir aanfruiten / aanstoven
faire sauter roerbakken / sauteren
frire frituren
glacer glaceren / glanzen
griller grillen
mijoter sudderen / op laag vuur koken
pocher pocheren
poêler in de pan bakken
réduire inkoken / reduceren
rissoler aanbraden / krokant bakken
rôtir roosteren / braden
saisir kort aanbraden
snacker snel en heet bakken
soufflér souffleren / opblazen
❄️ Refroidir & conserver  
congeler invriezen
conserver bewaren / conserveren
décongeler ontdooien
dessécher drogen / indrogen
mettre sous vide vacuümverpakken
pasteuriser pasteuriseren
réfrigérer koelen / in de koelkast bewaren
refroidir afkoelen
stériliser steriliseren
🥛 Filtrer, égoutter & dresser  
chemiser bekleden / invetten en bestrooien
clarifier klaren / clarificeren
décanter decanteren
dresser / disposer opmaken / schikken
égoutter uitlekken / afgieten
filtrer filteren / zeven
garnir garneren / beleggen
mouler vormen / in de vorm doen
napper overgieten / naperen
passer (au chinois) door de puntzeef passeren
présenter presenteren / opmaken
verser gieten / inschenken
vider leegmaken / uithollen
🧁 Pâtisserie & boulangerie  
abaisser (la pâte) de deeg uitrollen
chemiser (un moule) een vorm bekleden
couler (un entremet) een cake-ring gieten
couvrir (la pâte) de deeg afdekken
décorer decoreren
démouler de vorm verwijderen / storten
détremper vochtig maken / aanmengen
dorer (au jaune d’œuf) besmeren met eigeel
façonner vormen / boetseren
feuilleté (tourner) toeren / korstdeeg maken
foncer (un moule) de taartvorm bekleden met deeg
fourrer vullen
glacer (pâtisserie) glaceren / met glazuur bestrijken
lever (la pâte) de deeg laten rijzen
lisser glad strijken
macaronner macroneren / spatelen
napper (de chocolat) met chocolade overgieten
parsemer (de sucre glace) bestrooien met poedersuiker
pétrir kneden
recouvrir bedekken / afdekken
sabler brokkelig werken

➡️ Fiche suivante : Nourriture et boissons

⬅️ Fiche précédente : Les ustensiles de cuisine

 

©Fichesvocabulaire.com – Ne pas recopier sur d’autres sites

Laisser un commentaire

Votre adresse e-mail ne sera pas publiée. Les champs obligatoires sont indiqués avec *