Catégories
Néerlandais

Liste de vocabulaire néerlandais par thème : Les mots contraires

Liste de vocabulaire néerlandais : Les mots contraires

🇳🇱 Les mots essentiels à connaître 🇳🇱

_

Apprenez l’essentiel du néerlandais facilement avec cette liste de vocabulaire néerlandais qui contient tous les mots contraires indispensables et basiques, avec leurs traductions en français. Pratique pour apprendre le néerlandais seul à la maison, ou si vous souhaitez enrichir et améliorer votre vocabulaire en néerlandais pour mieux vous exprimer à l’écrit comme à l’oral !

Vous repérez des erreurs ou souhaitez ajouter un mot de vocabulaire à la liste ? N’hésitez pas à laisser un commentaire pour améliorer le site !

🇫🇷 Français 🇳🇱 Néerlandais
🏷️ Adjectifs, adverbes & expressions  
jeune jong
vieux / vieille oud
vide leeg
plein / pleine vol
vertical / verticale verticaal
horizontal / horizontale horizontaal
utile nuttig
inutile nutteloos
triste verdrietig
joyeux / joyeuse vrolijk / blij
sûr / sûre veilig
dangereux / dangereuse gevaarlijk
proche / près dichtbij / nabij
loin ver / veraf
sec / sèche droog
mouillé / humide nat / vochtig
souvent vaak
rarement zelden
toujours altijd
jamais nooit
pareil / pareille gelijk / hetzelfde
différent / différente anders / verschillend
sale vuil / smerig
propre schoon / proper
petit / petite klein
grand / grande groot
riche rijk
pauvre arm
coupable schuldig
innocent / innocente onschuldig
minuscule piepklein
gigantesque gigantisch / reusachtig
lourd / lourde zwaar
léger / légère licht
ancien / ancienne oud / voormalig
nouveau / nouvelle nieuw
facile gemakkelijk / makkelijk
difficile moeilijk
épais / épaisse dik
fin / fine dun / fijn
froid / froide koud
chaud / chaude warm / heet
lent / lente traag / langzaam
rapide snel
faux / fausse fout / vals
vrai / vraie waar / juist
profond / profonde diep
peu profond / peu profonde ondiep
bon / bonne goed
mauvais / mauvaise slecht
fort / forte sterk
faible zwak
doux / douce zacht / zoet
dur / dure hard / moeilijk
bruyant / bruyante luidruchtig / lawaaierig
calme kalm / rustig
compliqué / compliquée ingewikkeld
simple eenvoudig / simpel
rugueux / rugueuse ruw / ruwachtig
lisse glad / glanzend
long / longue lang
court / courte kort
étroit / étroite smal / nauw
large breed / wijd
lumineux / lumineuse licht / helder
sombre donker
intéressant / intéressante interessant / boeiend
ennuyeux / ennuyeuse saai / vervelend
normal / normale normaal
étrange vreemd / eigenaardig
cher / chère duur
bon marché / pas cher goedkoop
blanc / blanche wit
noir / noire zwart
tôt vroeg
tard laat
ouvert / ouverte open
fermé / fermée gesloten / dicht
premier / première eerste
dernier / dernière laatste
beaucoup veel
peu weinig
avant voor / vóór
après na / daarna
en haut boven
en bas onder / beneden
maintenant nu
plus tard later
dehors buiten
dedans binnen
ici hier
là-bas daar
le matin de ochtend / ‘s ochtends
le soir de avond / ‘s avonds
exactement precies / exact
approximativement / probablement ongeveer / waarschijnlijk
tout alles / iedereen
rien niets
oui ja
non nee / neen
📚 Noms & locutions  
une ville een stad
un village een dorp
une question een vraag
une réponse een antwoord
le professeur de leraar / de docent
l’étudiant de student / de leerling
le sucre de suiker
le sel het zout
le plafond het plafond
le sol de vloer
l’animal het dier
l’humain de mens
la faim de honger
la soif de dorst
le soleil de zon
la lune de maan
la sœur de zus
le frère de broer
la paix de vrede
la guerre de oorlog
l’ami de vriend
l’ennemi de vijand
hier gisteren
demain morgen
l’entrée de ingang
la sortie de uitgang
une femme een vrouw
un homme een man
à l’intérieur binnen / in het interieur
à l’extérieur buiten / in de buitenlucht
marié / mariée getrouwd
célibataire ongehuwd / vrijgezel
⚙️ Verbes utiles  
marcher stappen / wandelen
courir rennen / lopen
attacher vastmaken / vastbinden
détacher losmaken / losbinden
monter opgaan / klimmen
descendre neergaan / dalen
augmenter stijgen / toenemen
diminuer dalen / verminderen
arrêter stoppen
continuer doorgaan / verdergaan
décoller opstijgen
atterrir landen
mettre zetten / leggen / doen
enlever wegnemen / verwijderen
avancer vooruitgaan
reculer achteruitgaan
oublier vergeten
se rappeler zich herinneren
montrer tonen / laten zien
cacher verbergen / verstoppen
économiser sparen / besparen
dépenser uitgeven / besteden
construire bouwen
détruire vernietigen / afbreken
arriver aankomen
partir vertrekken
entrer binnengaan / binnenkomen
sortir buitengaan / uitgaan
rire lachen
pleurer huilen
vendre verkopen
acheter kopen
casser / briser breken / kapotmaken
réparer repareren / herstellen
prêter uitlenen
emprunter lenen / ontlenen
gagner winnen
perdre verliezen
ralentir vertragen
accélérer versnellen
chercher zoeken
trouver vinden
tirer trekken
pousser duwen
prendre nemen
donner geven
se réveiller wakker worden
s’endormir in slaap vallen
tenir (à la main) vasthouden
lâcher (ne plus tenir) loslaten
allumer aandoen / aanzetten
éteindre uitdoen / uitzetten
envoyer sturen / verzenden
recevoir ontvangen
commencer beginnen
finir eindigen / afmaken

➡️ Fiche suivante : Les étapes de la vie

⬅️ Fiche précédente : Trains et chemins de fer

 

 

©Fichesvocabulaire.com – Ne pas recopier sur d’autres sites

Laisser un commentaire

Votre adresse e-mail ne sera pas publiée. Les champs obligatoires sont indiqués avec *