Catégories
Néerlandais

Fiche de vocabulaire néerlandais par thème : Les verbes de la santé et de la médecine

Liste de vocabulaire néerlandais : Les verbes de la santé et de la médecine

🇳🇱 Les mots essentiels à connaître 🇳🇱

_

Apprenez l’essentiel du néerlandais facilement avec cette liste de vocabulaire néerlandais qui contient tous les verbes indispensables sur le thème de la santé et de la médecine, avec leurs traductions en français. Pratique pour apprendre le néerlandais seul à la maison, ou si vous souhaitez enrichir et améliorer votre vocabulaire en néerlandais pour mieux vous exprimer à l’écrit comme à l’oral !

Vous repérez des erreurs ou souhaitez ajouter un mot de vocabulaire à la liste ? N’hésitez pas à laisser un commentaire pour améliorer le site !

🇫🇷 Français 🇳🇱 Néerlandais
🩺 Actes médicaux & soins  
amputer amputeren
anesthésier verdoven / anesthesie toedienen
appeler un docteur een dokter bellen / roepen
arracher / extraire trekken / verwijderen / uittrekken
ausculter beluisteren / ausculteren
conseiller adviseren / raad geven
diagnostiquer diagnosticeren / een diagnose stellen
donner une injection een injectie geven / inspuiten
enlever verwijderen / wegnemen
faire un bilan de santé een medisch onderzoek doen / check-up
faire une greffe een transplantatie / transplant uitvoeren
faire une prise de sang bloed afnemen
hospitaliser hospitaliseren / opnemen in het ziekenhuis
inoculer / vacciner inenten / vaccineren
maintenir en vie in leven houden
opérer quelqu’un iemand opereren
panser une plaie een wonde verbinden
prendre des médicaments medicijnen nemen / medicatie innemen
prendre le pouls de pols nemen / voelen
prescrire voorschrijven
recoudre hechten
rédiger une ordonnance een voorschrift opstellen
soigner / traiter behandelen / verzorgen
stériliser steriliseren
transfuser een transfusie geven / bloed toedienen
🤒 Symptômes & états  
attraper froid kou vatten
attraper une maladie een ziekte oplopen / krijgen
avoir de la fièvre koorts hebben
avoir des contractions weeën hebben
avoir des nausées misselijk zijn
avoir le vertige duizelig zijn
avoir mal à la tête hoofdpijn hebben
avoir mal au ventre buikpijn hebben
boiter hinken / mank lopen
enfler opzwellen / opzetten
éternuer niezen
être alité bedlegerig zijn / in bed liggen
être cloué au lit aan bed gekluisterd zijn
être contagieux besmettelijk zijn
être en mauvaise santé ongezond zijn / in slechte gezondheid zijn
être en train d’accoucher aan het bevallen zijn
être enrhumé verkouden zijn
être enroué hees zijn / schor zijn
être hospitalisé gehospitaliseerd zijn / opgenomen zijn
être opéré geopereerd worden
être paralysé verlamd zijn
frissonner rillen / huiveren
saigner bloeden
se fouler la cheville de enkel verzwikken
se moucher zijn neus snuiten
se noyer verdrinken
se propager zich verspreiden / zich uitbreiden
se sentir fiévreux zich koortsig voelen
souffrir lijden / pijn hebben
tousser hoesten
trembler trillen / beven
vomir overgeven / braken
💊 Guérison & rétablissement  
accoucher bevallen / een kind baren
aller mieux beter worden / opknappen
atténuer verlichten / verzachten
calmer kalmeren / bedaren
cicatriser genezen / littekens vormen
empirer verslechteren / erger worden
être en bonne santé gezond zijn / in goede gezondheid zijn
guérir genezen / beter worden
perdre connaissance het bewustzijn verliezen / flauwvallen
rechuter terugvallen / hervallen
s’évanouir flauwvallen / bewusteloos raken
se remettre herstellen / opknappen
se reposer rusten / uitrusten
survivre overleven

➡️ Fiche suivante : Les médicaments et le matériel médical

⬅️ Fiche précédente : Santé, médecine et soins médicaux

 

©Fichesvocabulaire.com – Ne pas recopier sur d’autres sites

Laisser un commentaire

Votre adresse e-mail ne sera pas publiée. Les champs obligatoires sont indiqués avec *